6.4.4 Afschuiving

In gebouwen behoren de relatief dunne plaatvloeren t.p.v. de kolommen altijd op pons gecontroleerd te worden. Voor betonnen rijvloeren zal de dikte van de rijvloer meestal niet kleiner zijn dan 250 mm. Een kleinere dikte leidt al snel tot sterkteproblemen (zowel de statische sterkte als de vermoeiingssterkte).
Een dwarskrachtcontrole wijst uit of dwarskrachtwapening wel of niet nodig is.
Een tweetal gevallen worden nader toegelicht.

Rijvloer op pons

Maatgevend hierbij is belastinggeval 2.
Voor beschrijving hiervan zie hoofdstuk 5.4.2.3.2.
Voor dit belastinggeval geldt:

* karakteristieke wielprentbelasting:
b Q*200 kN met b Q =1,0 tenzij anders overeengekomen;

* wielprent-oppervlakte:
a*b = 350*600 mm2.

Toelichting op figuur 6.16.
Bijv. t=80 mm (dikte afwerklaag: DAB + ZOAB).

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 6.16

Effectieve breedte voor beoordeling van afschuiving.

 Volgens EC 1-3, 4.5.6 (2) behoort voor beoordeling van pons de schuifspanning t.p.v. het plaatmidden berekend te worden met de aanname van een spreiding onder een hoek van 45 .
Toetsing vindt plaats volgens de rekenregels gegeven in EC 1-3 4.3.2.

Dwarskrachtcontrole

Een situatie wordt beschouwd waarbij de rijvloer in dwarsrichting is voorgespannen.
De maximaal toelaatbare dwarskracht VRd wordt berekend volgens de formule gegeven in art. 4.3.2.3 van ENV 1992-1-1:1991:

met:
t
Rd = basisrekenwaarde van de uiters opneembare schuifspanning, welke gelijk is aan:



k = 1,6 d 1,00

s cp = spanning in het beton als gevolg van uitwendige belasting of voorspanning
bw = 1m (eenheidsbreedte)
As1 = oppervlakte van de doorsnede van de buigtrekwapening
d = nuttige hoogte

Rekenvoorbeeld






Gegeven is een staalbeton kokerliggerbrug.:

h = 250 mm (dikte betonnen rijvloer).
beton: C34/45
® t Rd = 0,37 N/mm2
wapening: S400;
Æ k = 16 150 mm
(bovennet op trek belast)
dekking: c=30 mm
Staalbeton brug met voorspanwapening in
dwarsrichting:
s pi = 2 N/mm2

Figuur 6.17

Staalbeton brug met betonnen onder- en bovenflens

 

 Voor de aansluiting betonnen rijvloeroverstek-stalen vakwerkliger geldt: Vsd = 250 kN/m (behorende bij eigengewicht + rustende belasting + verdeelde mobiele belasting + mobiele puntlast berekend met meewerkende breedte). Gecontroleerd wordt of dwarskrachtwapening nodig is.

 d =250 30 0,6*16 = 210 mm

Hieruit blijkt dat dwarskrachtwapening nodig is. De hoeveelheid dwarskrachtwapening volgt uit:

 Art. 5.4.2.2 van ENV 1992-1-1:1991 geeft de bijbehorende minimum waarde voor de dwarskrachtwapening volgens:

Voor rijvloeren mag conform art. 5.4.3.3 van ENV 1992-1-1:1991 aanvullend gerekend worden met een reductie van r tot 60%. Opgemerkt wordt dat wanneer dwarskrachtwapening nodig is, een minimum dikte van de rijvloer van 200 mm moet worden aangehouden. Dit conform art. 5.4.3.3 van ENV 1992-1-1:1991.