4.4 Momentenverdeling in relatie tot buigstijfheid

Als gevolg van scheuren van het beton wijzigt de stijfheid en daardoor ook de momentenverdeling over de liggerlengte.
Conform ENV 1994-2: 1997 art. 4.5.3.4 mag, wanneer aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, de momentenverdeling op een aantal verschillende manieren worden bepaald.

Eerste methode
Voor de gehele liggerlengte wordt uitgegaan van EaI1. Vervolgens behoren de overgangsmomenten t.p.v. de tussensteunpunten met max. 10% te worden gereduceerd (uitgezonderd voor de toets ULS-vermoeiing) en te worden herverdeeld over de rest van de ligger.

Tweede methode
Wanneer geen sprake is van voorgespannen betonnen rijvloer en er geen drukspanning in de rijvloer is geïntroduceerd, veroorzaakt door bijv. opgelegde steunpuntsverplaatsing, en de verhouding van aansluitende overspanningen minimaal 0.6 bedraagt, dan mag bij trek op de betondoorsnede de momentenverdeling worden bepaald uitgaande van EaI2 over 15% van de liggerlengte ter weerszijden van het tussensteunpunt en EaI1 voor de overige liggerlengten.










Figuur 4.13

Stijfheidsverdeling bij scheurvorming t.p.v. tussensteunpunt.


Derde methode
In eerste instantie wordt de momentenverdeling bepaald uitgaande van EaI1.
Vervolgens geldt voor zowel de ULS als SLS toets: